BRANDWEERTERMEN
 

Aanvalsploeg:
Degenen die bij een brand in eerste instantie belast zijn met verkenning, reddingswerkzaamheden en met het inzetten en bedienen van de eerste straal.

Aflegsysteem:
Systeem voor de taakverdeling van een bluseenheid bij het leggen van slangleidingen van de waterwinplaats naar het te blussen object.

Afnamepunt:
Plaats van vaste perskoppeling(en); een droge stijgleiding of brandblusleiding.

Bluseenheid:
Blusvoertuig, inclusief personeel.

Blusgroep:
Groep van meestal zes brandweerlieden, behorend bij een blusvoertuig en bestaande uit bevelvoerder, chauffeur/pompbediende, waterploeg en aanvalsploeg.

Bevelvoerder:
Degene die belast is met het bevel over een blus- of hulpverleningseenheid.

Blusaanval:
Het uitvoeren van maatregelen om een brand te blussen.

Blusmethode:
Wijze waarop een brand wordt bestreden.

Inzet:
Wijze waarop de brandweer in geval van brand of hulpverlening georganiseerd optreedt.

Nablussen:
Blussen van brandresten.

Opkomsttijd:
Tijdsverloop tussen de eerste melding van een incident en de aankomst bij de plaats van inzet van de eerste uitruk. Opmerking: opkomsttijd = uitruktijd + rijtijd.

Pompbediener:
Degene die de brandbluspomp verzorgt en bedient.

Rijtijd:
Tijdsverloop tussen het verlaten van de kazerne bij het uitrukken en de aankomst van de eerste uitruk op de plaats van inzet.

Uitruksterkte:
Totale sterkte aan brandweerpersoneel en materieel die bij brand of hulpverlening kan worden ingezet.

Uitruktijd:
Tijdsverloop tussen de eerste melding van een incident en het uitrukken van de eerste uitruk.

Verkenning:
Het beoordelen van de situatie door of namens de bevelvoerder ter plaatse van de brand of het ongeval.

Verzorgingsgebied:
Gebied waarin een brandweer verantwoordelijk is voor de brandbeveiliging en de technische hulpverlening.

Voedingspunt:
Plaats van vaste perskoppeling(en) bijv. in een droge stijgleiding, brandblusleiding, waterblus- of sprinklerinstallatie t.b.v. voeding door een blusvoertuig.

Vrijwillige brandweer:
Brandweer waarvan het personeel geheel of grotendeels bestaat uit personen, die vrijwillig een taak bij de brandweer vervullen.

Waterploeg (Blusstofploeg):
Degenen die bij brand in eerste instantie de slangleidingen vanaf de bluswaterwinplaats tot de pomp verzorgen en in tweede instantie het inzetten en bedienen van de tweede straal.

Binnenbrand:
Brand in een min of meer omsloten ruimte.

Blussen:
Onderdrukken van een brand door het wegnemen van één of meer verbrandingsfactoren (zie aldaar).

Brand:
In het algemeen ongewenste verbranding met vuur, die zich ongehinderd uit kan breiden en meestal schade veroorzaakt. Toelichting met enkele voorbeelden:
het verbranden van een hooiberg ten gevolge van broei is brand;
het verbranden van een hooiberg, die door een brandstichter is aangestoken, is ook brand;
het verbranden van een hoop afval is geen brand;
het verbranden van de begroeiing van een berm, veroorzaakt door vonken van een trein, is brand;
het doelbewust afbranden van een berm is geen brand.

Andere omschrijvingen van het begrip brand zijn:
1 volgens Van Dale Groot woordenboek der Nederlandse taal: vernieling door vuur in het bijzonder van zaken welker verlies schade veroorzaakt;
2 volgens Brandverzekeringstechniek door dr. P.D. Pestman: vuur veroorzaakt door een verbranding welke in staat is zich uit eigen kracht buiten een haard voort te planten.

Brandhaard:
Plaats waar een brand het felst woedt en vanwaar het vuur zich verspreidt.
Plaats waar een brand is ontstaan.

Brand meester:
Codewoord voor de situatie waarin de brand onder controle is.

Buitenbrand:
Brand in de open lucht waarbij in het algemeen geen gebouwen of opstallen zijn betrokken.
Voorbeelden: duinbrand, bosbrand, heidebrand, bermbrand.

Grote brand:
Codewoord voor een brand waarvoor de eerst uitgerukte bluseenheid versterking van twee bluseenheden behoeft.

Kleine brand:
Codewoord voor een brand waarvoor de eerst uitgerukte bluseenheid geen versterking behoeft. Deel van een bosbrand dat woedt en zich uitbreidt in de kronen van de bomen.

Uitslaande brand:
Binnenbrand die door openingen in wanden of dak naar buiten is geslagen.

Zeer grote brand:
Codewoord voor een brand waarvoor de eerst uitgerukte bluseenheid versterking van meer dan twee bluseenheden behoeft.


Brandweermaterieel termen

Autospuit (AS):
Volgens bestek van de Directie Brand: motorvoertuig uitgerust met een gecombineerde hoge- en lagedrukbrandbluspomp en eventueel een bluswatertank met een inhoud van maximaal 1,5 m3(15001). Toelichting:
De autospuit wordt naar pompvermogen onderverdeeld in:
KV = klein vermogen = 0,013 tot 0,027 m
MV = middelvermogen = 0,027 tot 0,040 m
GV = groot vermogen = meer dan 0,04 m (2400 Vmin.)

Hoogwerker (HW):
Motorvoertuig uitgerust met een hefinrichting, die aan de top voorzien is van een kooi voor het redden van personen en het blussen van brand en het verlenen van hulp.

Hulpverleningsvoertuig (HV):
Motorvoertuig ingericht en uitgerust voor het verlenen van technische hulp. Toelichting: Er zijn twee typen:
het grote regionale voertuig HV I;
het kleine bestelvoertuig HV II.

Motorspuit:
Samenstel van een verbrandingsmotor en een brandbluspomp.

Schuimblusvoertuig (SB):
Motorvoertuig uitgerust met een installatie voor het blussen met blusschuim.

Slangenaanhanger (SLA):
Aanhanger uitgerust voor het vervoer van slangen en eventueel voor het rijdend uitleggen van een slangleiding.

Tankautospuit (TS):
Volgens bestek van de Directie Brandweer: motorvoertuig uitgerust met een gecombineerde hoge- en lagedrukbrandbluspomp en een bluswatertank met een inhoud groter dan 1,5 m 3 (1500 I).

Toelichting: De tankautospuit wordt naar pompdruk onderverdeeld in::
LD = lagedruk pomp = 0 t/m 1500 kPa (15 bar) opvoerdruk.
HD = hogedruk pomp = meer dan 4000 kPa (40 bar) opvoerdruk.
HD/LD = gecombineerde hoge- en lagedruk pomp.